|
131I-MIBG
therapie.
* Wat is 131I-MIBG?
* De voorbereiding op de behandeling met 131I-MIBG
* De behandeling met 131I-MIBG
* Zorg voor het kind na de behandeling met 131I-MIBG
* Isolatie en stralingsbeschermende maatregelen
* Naar huis of terug naar het Erasmus MC / Sophia
* Contactpersonen
| Wat is 131I-MIBG? |
bovenzijde pagina |
|
131I is een radioactieve vorm van jodium
dat als doel heeft bestraling op een specifieke plaats in het lichaam
te bewerkstelligen. MIBG is een afkorting voor meta-iodobenzylguanidine
en is een stof die zich in neuroblastoom cellen kan ophopen. Het
jodium in de MIBG stof kan vervangen worden door 131I. Deze radioactieve
vorm van MIBG noemen we 131I-MIBG. De neuroblastoomcellen nemen
het radioactieve 131I-MIBG op en worden zodoende van binnenuit bestraald.
Deze anti-tumor therapie is voor het neuroblastoom effectief en
kan een deel van de chemotherapie vervangen. Bovendien heeft 131I-MIBG
therapie weinig bijwerkingen in vergelijking met chemotherapie.
Daarom worden in Amsterdam en Rotterdam patiënten met een neuroblastoom
vaak behandeld met 2 kuren 131I-MIBG. Daarna wordt de therapie voortgezet
met chemotherapie en operatie.
|
| De
voorbereiding op de behandeling met 131I-MIBG |
bovenzijde pagina |
|
Jodium wordt door de schildklier gebruikt
voor het maken van schildklierhormoon. Radioactief jodium wordt
door de schildklier even gemakkelijk opgenomen als niet radioactief
jodium. Radioactief jodium kan schade geven aan de schildklier.
Dit is dus een bijwerking van de 131I-MIBG die moet worden voorkomen.
Ter bescherming van de schildklier krijgt een kind vanaf de dag
voor 131I-MIBG -therapie een kaliumiodide drank, strumazol en thyrax.
Deze medicijnen blokkeren effectief de opname van 131I in de schildklier,
maar niet in de tumorcellen. Dit waarborgt een goede schildklierfunctie
nadien. Kaliumiodide dient totaal 2 weken geslikt te worden, strumazol
en thyrax 4 weken. Omdat ook bij de ouders tijdens de verzorging
een kleine kans bestaat dat hun schildklier onnodig 131I opneemt,
dienen ook zij kaliumiodide te slikken, slechts voor 4 dagen. De
overige twee medicijnen zijn bij hen niet nodig.
De behandeling vindt plaats op de afdeling nucleaire geneeskunde
in het ErasmusMC/Daniël den Hoedkliniek of soms in het AMC/Emma
kinderziekenhuis in Amsterdam. Souders verblijven samen met hun
kind enkele dagen en nachten op één van deze twee
locaties verblijft.
|
| De
behandeling met 131I-MIBG |
bovenzijde pagina |
|
|
Het 131I-MIBG wordt door middel van
een infuus of Port-a-cath toegediend. Omdat het middel een radioactieve
werking heeft dienen er speciale voorzorgmaatregelen genomen te
worden, om onnodige straling in de omgeving te voorkomen. Zo zal
het 131I-MIBG in een infuusflesje zitten met een loodomhulling en
is er een voor dit doel speciale infuusopstelling aanwezig. Na aanprikken
en controle van het infuussysteem kan het radioactieve geneesmiddel
toegediend worden. De meeste kinderen merken hier niets van, een
enkele keer komen er wel lichte misselijkheidklachten voor. De toediening
duurt ongeveer 2 uur. Gedurende deze tijd moet het kind in bed blijven,
terwijl een ouder bij het kind op de kamer is. Als het 131I-MIBG
is ingelopen wordt het infuus meestal verwijderd.
Het 131I-MIBG wordt door middel van een infuus of Port-a-cath toegediend.
Omdat het middel een radioactieve werking heeft dienen er speciale
voorzorgmaatregelen genomen te worden, om onnodige straling in de
omgeving te voorkomen. Zo zal het 131I-MIBG in een infuusflesje
zitten met een loodomhulling en is er een voor dit doel speciale
infuusopstelling aanwezig. Na aanprikken en controle van het infuussysteem
kan het radioactieve geneesmiddel toegediend worden. De meeste kinderen
merken hier niets van, een enkele keer komen er wel lichte misselijkheidklachten
voor. De toediening duurt ongeveer 2 uur. Gedurende deze tijd moet
het kind in bed blijven, terwijl een ouder bij het kind op de kamer
is. Als het 131I-MIBG is ingelopen wordt het infuus meestal verwijderd.
|
| Zorg
voor het kind na de behandeling met 131I-MIBG |
bovenzijde pagina |
|
De medewerkers van de afdeling
nucleaire geneeskunde dragen zorg voor de hele procedure rondom
toediening van het MIBG. Dit gebeurt in nauw overleg met de behandelend
kinderoncoloog, die ook langs zal komen indien dit gewenst is. Voor
praktische zaken (bijvoorbeeld maaltijdverstrekking) en verpleegtechnische
handelingen (bijvoorbeeld verwisselen van infuus) zijn de verpleegkundigen
van de afdeling waar ouders met hun kind verblijven via een belsysteem
direct bereikbaar. Bij veel kinderen wordt ook vaak besloten tot
sondevoeding en vocht via het infuus in deze periode. De dagelijkse
zorg, zoals wassen en eten geven, berust in verband met de straling,
bij één van de ouders. Er kan steeds maar één
ouder tegelijk bij het kind op de kamer zijn, bezoek is tijdens
deze dagen niet mogelijk.
|
| Isolatie
en stralingsbeschermende maatregelen |
bovenzijde pagina |
|
De toegediende hoeveelheid radioactiviteit
is zodanig dat er alles aan gedaan wordt om onnodige bestraling
(“besmetting’’) voor de mensen in de omgeving
te voorkomen. Na toediening van de 131I-MIBG komt de radioactieve
stof tijdelijk in alle lichaamsvloeistoffen, zoals urine, ontlasting,
speeksel, en transpiratie terecht. Het grootste gedeelte van het
middel zal via de nieren, dus met de urine, het lichaam weer verlaten.
Daarom moet de patiënt geïsoleerd in een speciale ruimte
verpleegd worden en zijn er speciale maatregelen ter voorkoming
van besmetting nodig.
De dosis straling in de omgeving tijdens MIBG behandeling is ongeveer
gelijk aan de dosis straling van ca. 3 röntgenfoto’s
van de longen. Uit ervaring is gebleken dat dit een aanvaardbare
dosis is, en de verzorgende ouders geen onnodig stralingsrisico
krijgt. Indien de moeder zwanger is of denkt te zijn dient dit aan
de behandelaar gemeld te worden.
Om de stralingsdosis die de ouders oplopen tijdens de verzorging
van het kind zo klein mogelijk te houden dienen de volgende maatregelen
in acht te worden genomen:
- Neem een zo groot mogelijke lichamelijke afstand ten opzichte
van het kind in. Hoewel dit niet altijd makkelijk zal zijn is
dit een belangrijke maatregel: een twee maal zo grote afstand
geeft een vier maal geringere stralingssterkte, een drie maal
zo grote afstand geeft een negen maal geringere stralingssterkte
- Wees niet langer dan strikt noodzakelijk in de directe nabijheid
van het kind en neem het kind zo weinig mogelijk op schoot. Handelingen,
bijvoorbeeld met luier wisselen, eten geven of wassen, dienen
snel te gebeuren. Hoe korter het contact met het kind, deste beter.
De kamer waar de MIBG wordt toegediend is hier speciaal voor ontworpen.
In de wanden en de deur van deze kamer zit lood. Het sanitair bij
de kamer is aangesloten op speciale opvangtanks om te voorkomen
dat radioactief besmette urine of ontlasting in het milieu terechtkomt.
Tijdens de isolatie moet zuinig met water worden omgesprongen: de
capaciteit van de opvangtanks is maar beperkt. De kamer bestaat
uit een slaapgedeelte en een zitgedeelte met een televisie, radio,
telefoon en magnetron. Alles wat eenmaal in de kamer is moet op
de kamer blijven, in verband met mogelijke besmetting. Kleding en
speelgoed van het kind kan opgeslagen worden in het ziekenhuis tot
de besmetting over is. Dit kan weken duren. Voor wasgoed en afval
zijn speciale containers op de kamer. Voor eten en drinken wordt
gebruik gemaakt van wegwerpmateriaal.
Het kind mag de kamer alleen verlaten voor het maken van een scan
op de afdeling nucleaire geneeskunde of als er sprake is van een
behandeling met hyperbare zuurstof. Zo’n scan wordt meestal
op de vijfde dag na de 131I-MIBG inspuiting gemaakt. Het doel van
deze scans is te bepalen hoeveel geneesmiddel in de tumor terecht
is gekomen. De uitslag van de scan is niet van belang voor de behandeling
en er wordt ook geen uitslag van afgegeven.
|
| Naar
huis of terug naar het Erasmus MC / Sophia |
bovenzijde pagina |
|
De dienst Nucleaire geneeskunde en
Stralingshygiëne meet dagelijks het stralingsniveau op 50 centimeter
afstand van het kind. Aan de hand van deze metingen stelt men vast
wanneer het kind naar huis mag of terug naar de verpleegafdeling
in het SKZ. Op het moment van ontslag is er nog altijd een klein
gedeelte van het toegediende radioactieve geneesmiddel in het lichaam
van het kind aanwezig. Om het risico van stralingsbesmetting zo
klein mogelijk te houden worden er nog enkele instructies meegegeven.
|
| Contactpersonen |
bovenzijde pagina |
|
Bij algemene vragen of opmerkingen
kunt u contact opnemen met drs. M.M. van Noesel, kinderarts-oncoloog
of met Clementine Dekkers en Maria de Jong, specialistisch verpleegkundigen
kinderoncologie, tel. 010-4636600 of met het secretariaat
kinderoncologie
|
|
|